Fen heeft haar telefoon met het scherm omlaag op schoot, de opname-app geopend zoals ze die open heeft bij elke klus die ertoe doet en de meeste die dat niet doen. Gewoonte, geen plan. Op de parkeerplaats heeft ze de app aangezet zonder ertoe te besluiten, uit dezelfde reflex waarmee ze een bestand een naam geeft voordat ze ook maar één beeld heeft bekeken. Nu knippert het rode stipje op het zwarte glas, drie rijen achter de kist van haar grootmoeder, terwijl Pastor Wiersma zich in twintig zorgvuldige minuten door een heel leven heen werkt.
First Reformed houdt de kou vast zoals oude steen dat altijd doet, hoeveel lichamen de banken ook vullen en hoe hoog de verwarming ook staat. Het late herfstlicht valt vlak en grijs door de hoge heldere ramen, zonder een spat kleur. Licht dat elke donkere jas in de kerkzaal nog een tint donkerder maakt. Onder de rouwbloemen, drie rijen dik langs de balustrade voor het liturgisch centrum, kan Fen als ze wil nog altijd de ware geur van de kerkzaal vinden: stof en steen en een eeuw aan kaarsrook, in de mortel getrokken. Ze wil hem niet vinden. Toch blijft hij zich aandienen.
Zoals altijd loopt heel Holland (Michigan) uit voor een van de zijnen; de kerkbanken zitten schouder aan schouder vol mensen van wie de grootouders Nels grootouders nog van de overtocht kenden. De helft van de oudste families van de stad is samengevouwen tot één vertrek onder één dak, iedereen gekleed in dezelfde drie donkere tinten. Fen herkent misschien één gezicht op de tien. De andere negen herkennen haar meteen, zoals kleine steden de kleindochter herkennen die vertrokken is. Voor de dienst knikken ze haar in de gang toe, warm zoals mensen warm zijn tegen iemand met wie ze bij voorbaat medelijden hebben.
Op het gedrukte programma op haar schoot staan gezangen die ze zich half herinnert en een foto van Nel van toen ze een jaar of vijftig was. Zonder glimlach, de armen over elkaar, voor hetzelfde keukenraam waar Fen als kind vanuit de tuin naar keek. Ergens achter haar wisselen twee onbekende vrouwen het begin uit van wat duidelijk een uur aan ovenschotellogistiek gaat worden. Wie de ham meeneemt, wie van de vorige begrafenis nog een schaal van wie heeft. Drie rijen voor haar draagt een man op zijn zwarte revers een vrijwilligersspeldje van Tulip Time, met aan één kant een stukje uit de geëmailleerde bloemblaadjes. Gedragen zoals een man iets draagt waarvan hij besloten heeft dat het voortaan deel uitmaakt van zijn pak, in plaats van dat het erbij hoort als accessoire. Fen catalogiseert alles zoals ze voor een klus de kamertoon catalogiseert: aanwezig, voor het bestand onbelangrijk, toch opgeslagen.
Haar ouders zitten één rij voor haar, Joost aan het gangpad in het donkere pak dat hij draagt bij elke gelegenheid die om een pak vraagt. Alice naast hem, haar handen zo strak gevouwen dat haar knokkels wit wegtrekken. Voor zover Fen van drie rijen afstand kan zien, heeft geen van beiden nog gehuild. Rond het middaguur is ze haar eigen inschatting van dat soort dingen niet meer gaan vertrouwen, toen de condoleancerij elk gezicht in de familie tot dezelfde behoedzame leegte had afgesleten. Beroepshalve leest ze gezichten vloeiend; twaalf jaar lang heeft ze dialoogregels afgestemd op wat een mond op het scherm werkelijk doet. Van achteren vertelt niets daarvan haar iets bruikbaars over haar eigen familie.
Twee banken verder zit Bruno op zijn reisstandaard, op een klapstoel die iemand in de opening naast het gangpad heeft gewurmd omdat de familie geen plaats meer had en weigerde hem in de auto te laten. Een vierkante zwarte doek bedekt hem; niemand heeft eraan gedacht die weg te halen voordat de dienst begon. Zestig jaar lang heeft Nel hem overal mee naartoe genomen: bruiloften, wachtkamers in ziekenhuizen, de diploma-uitreiking van een nichtje waar de familie nog altijd op gedempte toon over praat. Niemand heeft serieus overwogen hem bij haar eigen begrafenis thuis te laten, wat dat besluit verder ook zegt over de familie die het nam. Sinds ze hem naar binnen hebben gereden is hij stil, iets waar niemand een opmerking over heeft gemaakt, want een stille Bruno is niet iets wat iemand in deze ruimte ooit heeft leren vertrouwen.
Wiersma is aangekomen bij het deel van de grafrede waarin hij vertelt hoe Nel op haar stille manier voor deze stad zorgde. Vier decennia aan ovenschotels die zonder briefje op veranda's zijn achtergelaten, een praalwagen voor Tulip Time die ze elf jaar achtereen heeft geleid en waar ze daarna, zonder uitleg, niets meer mee te maken wilde hebben. Hij noemt kort het Nederlands dat ze aan zondagsschoolkinderen bleef onderwijzen lang nadat de gemeente volledig op het Engels was overgegaan. Twee oudere vrouwen in de derde bank knikken bij dat detail alsof het een binnenpretje is waar ze allebei deel aan hadden. De ruimte is zacht en stil geworden zoals een ruimte stil wordt wanneer iedereen erin tegelijk dezelfde persoon vanuit een andere hoek herkent. Fen kijkt naar de schouders van haar vader. Nog altijd niets.
Ergens onder de zwarte doek klinkt een droog geritsel. Fen heeft het sinds ze zijn gaan zitten al twee keer gehoord, een poot die op de stok verschuift. Beide keren heeft ze het opgeslagen zoals ze bij een klus kamertoon opslaat: aanwezig, onschadelijk, niet waarvoor ze hier is. De tweede keer zat er een ritme in het geritsel dat ze alleen als zenuwen heeft geregistreerd: drie korte tikken van een poot tegen het deuvelhout, een pauze, nog eens drie. Zacht, bijna opgeslokt door de uitademing waarmee de ruimte tot rust komt, hoort ze twee zachte lettergrepen die Nenna kunnen zijn en ook niets, alweer verdwenen voordat ze haar hoofd kan draaien om het te controleren. Ze draait haar hoofd niet. Haar ogen blijven op haar vader gericht, terwijl ze kijkt hoe hij niet huilt.
De doek gaat eraf.